Blijf op de hoogte van de nieuws items!

4-9-2026

Buxusmot bestrijden wanneer

Kale plekken in je buxushaag, spinsel tussen de takken en groene rupsen die zich tegoed doen aan de blaadjes: de buxusmot (Cydalima perspectalis) is een van de hardnekkigste plagen in Nederlandse en Belgische tuinen. Gelukkig is er een 100% natuurlijke oplossing die geen chemische middelen nodig heeft: insectparasitaire aaltjes (nematoden). Maar timing is alles. Zet je de aaltjes op het verkeerde moment in, dan loop je de rupsen mis en houd je alsnog schade over. In dit artikel lees je precies wanneer je moet ingrijpen.

Waarom timing zo belangrijk is

Aaltjes zijn microscopisch kleine wormpjes die actief op zoek gaan naar hun prooi. Ze dringen de rups binnen en brengen daar een bacterie in, waardoor de rups binnen enkele dagen sterft. Het slimme aan deze methode is dat het volledig biologisch is en geen enkel risico vormt voor bijen, vlinders of andere nuttige insecten in de tuin.

Het addertje onder het gras: aaltjes werken alleen tegen de rupsen zelf. Eitjes, poppen en de volwassen motten worden niet geraakt. Als je te vroeg of te laat spuit, terwijl er nog geen of geen actieve rupsen aanwezig zijn, mis je het effect grotendeels. Daarom is het cruciaal om de levenscyclus van de buxusmot te kennen.

De levenscyclus: meestal twee tot drie generaties per jaar

In Nederland en België doorloopt de buxusmot doorgaans twee tot drie generaties per seizoen, ongeveer tussen april en oktober. Een globaal overzicht:

  • Eind april – begin mei: de eerste generatie rupsen ontwaakt uit de overwintering en begint direct te vreten. Dit is hét moment om vroeg in te grijpen, voordat de schade zich opstapelt.
  • Eind juni – begin juli: de tweede generatie komt tot leven. Controleer je haag goed en herhaal de behandeling als je opnieuw vraatschade of spinsel ziet.
  • Augustus – begin september: in warme jaren volgt er nog een derde generatie. Blijf dus ook laat in de zomer alert.

De exacte data verschuiven van jaar tot jaar, afhankelijk van de temperatuur. Bij een zachte winter en warme lente kunnen de rupsen al eerder actief worden.

Hoe herken je het juiste inzetmoment?

In plaats van blind op de kalender te varen, kun je het beste je buxus zelf als signaal gebruiken. Let vanaf april regelmatig op:

  • Kleine gaatjes of doorzichtige "skeletblaadjes"
  • Fijn spinsel tussen de takken
  • Groene rupsen met een zwart-witte kop, vaak goed gecamoufleerd tussen het blad
  • Uitwerpselen (kleine groene korreltjes) onderin de plant

Zodra je jonge rupsen spot, is dat je startsein. Jonge, kleine rupsen zijn namelijk veel gevoeliger voor aaltjes dan oudere, volgroeide exemplaren. Wacht dus niet tot de haag al flink is aangevreten.

Welke aaltjessoort past bij welke temperatuur?

Voor de bestrijding van buxusmotrupsen wordt het aaltje Steinernema carpocapsae ingezet. Deze soort is het meest actief en effectief bij temperaturen vanaf ongeveer 12°C en presteert ook goed bij warmere zomertemperaturen. Bij koelere omstandigheden, met minimumtemperaturen onder de 12°C, is een andere soort geschikter, omdat Steinernema carpocapsae dan minder actief wordt. Vraag bij twijfel over de juiste soort voor jouw situatie altijd na welk aaltje het beste past bij de actuele weersomstandigheden.

Praktische toepassingstips

Een paar vuistregels die het verschil maken tussen wel of geen resultaat:

  1. 's Avonds spuiten. Aaltjes zijn gevoelig voor UV-licht en overleven niet lang in fel zonlicht. Breng ze daarom aan het einde van de dag of in de avond aan.
  2. Zorg voor vochtige omstandigheden. Aaltjes bewegen zich voort in een vochtfilm. Spuit bij voorkeur bij bewolkt weer of vlak voor het invallen van de dauw, en houd de plant na toepassing enige tijd vochtig.
  3. Raak de rupsen direct. Bespuit de bladeren grondig, ook aan de onderkant, zodat de aaltjes daadwerkelijk in contact komen met de rupsen.
  4. Herhaal indien nodig. Omdat niet alle eitjes tegelijk uitkomen, is een tweede behandeling na één à twee weken vaak verstandig, zeker bij een zware aantasting.
  5. Controleer de bodem- en luchttemperatuur vooraf. Bij te lage temperaturen daalt de effectiviteit van de aaltjes sterk, ongeacht het tijdstip in het seizoen.